Treinreizen zijn over het algemeen niet vaak hetzelfde, hoewel je bijna dagelijks met dezelfde forenzen in de trein mee moet. Die diepen steeds weer een laptop of het resterende brood uit het lunchpakketje uit hun Samsonite-koffertje op. Reizigers die niet dagelijks over het spoor gaan vertonen echter "afwijkend" gedrag...
Vaak weten zij niet hoe ze zich “behoren” te gedragen. Dat heeft als resultaat dat ze plotseling overdreven sociaal doen, of regelmatig willen weten welk station de trein nu weer aandoet, of dat de trein echt wel naar Schiphol gaat. Het kan natuurlijk ook zijn dat een treincoupé zo'n sociaal stimulerende omgeving is. Het lijkt overigens wel dat bejaarden collectief in de veronderstelling verkeren dat ze een praatje moeten maken met de medereiziger.
Zo ook de oudere dame uit Zeeuws-Vlaanderen, op weg in de intercity naar Vlissingen.
Toen ik rustig aan mijn Volkskrant van 3 dagen oud wilde beginnen hield zij ineens een verhaal over dat ze maar niet was gaan winkelen omdat de trein al over een uur zou vertrekken. Ondertussen rommelde ze driftig in haar tas. Helemaal bovenop lag iets wat op een bundeltje vuilniszakken leek.
Het gesprek, dat vooral eenrichtingsverkeer was, nam een uitermate vreemde wending en ging plotseling over “falafel”. Ze kende een paar tentjes in Rotterdam die zeer de moeite waard waren. Of ik die ook kende?
Net voordat ik wilde antwoorden bleek het onderwerp plotseling niet meer interessant te zijn voor de Zeeuws-Vlaamse en ze begon de adressen van een aantal reformhuizen in Rotterdam op te dreunen. Blijkbaar verkochten die heel veel verantwoorde & gezonde zaden, uitermate geschikt voor in de keuken. Ook peterselie hadden ze daar, biologisch gekweekt, uiteraard.
Bij het woord biologisch herinnerde ze zich hoogstwaarschijnlijk dat ze altijd biologisch shopte bij de Albert Heijn. Die informatie wilde ze ook graag met mijn delen. “Dat het allemaal voorgesneden was, dat was ook zo handig van Albert.”
Inmiddels had ik mijn krant maar verwisseld voor een leesboek, maar dat scheen voor haar geen signaal te zijn om haar sociale vaardigheden te richten op een ander slachtoffer. Zo nu & dan het boek aandachtig inkijken leek ook niet te helpen, ze was me namelijk al geruime tijd aan het inlichten over de geneugten van oude jeugdboeken. Van een bepaalde schrijver of schrijfster, die ze in haar jeugd met veel plezier gelezen had. Momenteel werd het boek vermaakt tot een musical. Daar moest ze nog maar eens heengaan met haar zus.
Ik probeerde me ondertussen voor te stellen hoe twee zussen uit Zeeuws-Vlaanderen, die na een fijn middagje winkelen in de diverse Rotterdamse reformhuizen zich nog laafden aan een staaltje tienerliteratuur uit de oude doos, misvormd tot musicalamusement.
Na wat goedlachse knikjes & instemmend gebrom van mijn zijde, was wat haar betreft het gesprek afgelopen. Met de melding dat ze haar krant – het Rotterdams Streeknieuws – maar eens ging lezen was de rust wedergekeerd.
Terwijl de trein eindelijk zijn eindstation naderde mompelde ik nog een semi-vriendelijk: “Goede reis. verder.”
De Zeeuwse dame zat nu alleen in de coupé op weg naar Vlissingen. Eerst zou ze nog stoppen te Bergen op Zoom, Goes, Middelburg, & Vlissingen-Soeburg. Daarna moest ze ongetwijfeld in een klein dorp ergens op het Zeeuwse platteland zijn.
Het moet gezegd worden; ik voelde me wel uitermate jong, toen ik uit die trein stapte.